DE VROUW IN DE BIJBEL : MARIA MAGDALENA (DEEL 1)

Maria Magdalena is in de Bijbel een bijzonder boeiende figuur. Wellicht heeft zij een zondig leven geleid maar ze is toch gered. Ze toont zowel de menselijkheid als de donkere kanten die daarbij horen.

In de Statenvertaling wordt een eerste keer naar haar verwezen als Maria van Magdala. Magdala was een welvarend vissersdorp dat lag aan de westelijke oever van het Meer van Galilea, vijf kilometer ten noorden van Tiberias. De ruïnes van Magdala liggen in de buurt van het hedendaagse Migdal. In het Hebreews betekent Migdal (= Magdala) ‘toren’, een mogelijke verwijzing naar een ‘toren’ waarin vis werd gedroogd, een belangrijke activiteit in de stad. Het gebied Magadan (Matteüs 15 : 39) en het gebied van Dalmanuta (Marcus 8 : 10), zouden over dezelfde plaats gaan. Maar Magdala werd door de Joden gemeden omdat de plaats in hun ogen te ‘werelds’ (vergriekst) was. Vooral de Romeinse vermaakcentra vonden ze te mijden. Hier wordt Magdalena als een familienaam gebruikt. In het Nederlands zou dit klinken als: van Magdala, de plaats van haar geboorte of de plaats waar Maria woonde.

Wie de Bijbelverhalen leest, raakt over haar identiteit vooral in ver-warring. Ze wordt in 2 situaties genoemd : als getuige bij het kruis en na de opstanding én als één van de vrouwen die genezen waren van boze geesten (Lucas 8:2). Was zij één en dezelfde, niemand die het
met zekerheid kan zeggen. Vreem-der is dat Maria Magdalena ook verbonden wordt met de naamloze vrouw, die zondares genoemd wordt en de voeten van Jezus zalft (Lucas 7:37-50). Was het zo dat de grote rol van deze Maria bij de opstanding, kleiner werd gemaakt door haar elders als zondares te positioneren ? Op basis van dit verhaal zijn vele afbeeldingen van Maria Magdalena gemaakt met een pot zalf, aan de voeten van het kruis.

Jezus trok rond van stad tot stad en van dorp tot dorp om het goede nieuws over het koninkrijk van God te verkondigen. De 12 apostelen én
een aantal vrouwen vergezelden hem “ en het gebeurde daarna dat Hij van stad tot stad en van dorp tot dorp trok en er predikte en het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigde. En de twaalf waren bij Hem, en sommige vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren, namelijk Maria, die Magdalena genoemd werd, van wie zeven demonen uitgegaan waren, … en vele anderen, die Hem dienden met hun eigen bezittingen ”, zo lezen we in Lucas 8: 1-3. Het gevaar bestaat dat je bezit alleen aanwendt voor jezelf. De vrouwen die hier vermeld worden, hebben een andere kijk op geld en bezit : ze realiseren zich dat hun bezit een gave van God is en dat ze Jezus er mee kunnen dienen. De eerste persoon die hier vernoemd wordt is Maria Magdalena, door Jezus bevrijd. Vóór ze Jezus leerde kennen was ze namelijk niet vrij, 7 demonen of boze geesten hielden haar in hun greep. De Bijbel laat duidelijk zien dat deze (en andere) vrouw(en) op vele vlakken verbonden zijn aan Jezus, materieel maar ook emotioneel en geestelijk. Jezus op zijn beurt illustreert zijn ver-bondenheid met achting voor de vrouwen door ze op te nemen in zijn reisgezelschap. Voor een Joodse leraar was dit zeer ongebruikelijk.

Wat waren de ‘zeven duivels’ ? In de loop van de geschiedenis werd Maria Magdalena vaak gezien als prostituee, zonder dat daar iets over in de Bijbel geschreven is. Men ging ervan uit dat ze een zondig leven had geleid vóór ze door Jezus werd genezen en zich tot het Evangelie bekeerde. Volgens het Joodse denken zijn demonen vijandige tussenwezens die mensen schade willen toebrengen. Mensen zijn dus niet verantwoordelijk voor wat de demonen hun ingeven te doen. Sommige theologen zijn er dan ook van overtuigd dat een dergelijk moreel oordeel niet in de tekst is vervat.

Op Golgotha treffen wij Maria weer aan, met andere vrouwen kijkt zij van verre toe. Haar hart wordt verscheurd van smart, dit begrijpt ze niet, ze maakte heel Jezus’ lijdensweg mee. Naar Jezus’ moeder durft ze niet te kijken, kon ze maar iets doen. Zij kan pas weer wat doen als alles voorbij is, na ‘het is volbracht’. Met de andere vrouwen gaat zij mee als Jozef (van Arimathéa) en Nicodemus het lichaam van Jezus in het graf leggen. Thuis blijven de vrouwen waken en maken de specerijen en mirre klaar. Gehoorzaam aan de wet, zoals hun Meester het hun geleerd heeft, rusten zij op de sabbat en nemen zich voor direct na deze dag met het balsemen te beginnen.

Opvallend is dat enkel in het Johannesevangelie Maria alleen aan het graf komt, in de synoptische evangeliën (Marcus, Matteüs en Lucas) is zij steeds vergezeld van andere vrouwen. Er blijkt dus een wezenlijk verschil van haar rol in de 4 evangeliën.

a) Volgens het Marcusevangelie is Maria Magdalena volgelinge en getuige van Jezus.
Maria Magdalena wordt pas vermeld bij de kruisiging van Jezus. Samen met Salome en een andere Maria is ze één van de vrouwen die van op afstand toekijken (15,40-41). Maria Magdalena was Jezus al gevolgd vanuit Galilea (10,28) en ze diende hem ook (15,41). Ze was aanwezig bij Jezus’ kruisdood, zijn begrafenis en bij de ontdekking van het lege graf. De nadruk ligt bij Marcus op het getuige zijn. Het lijkt vanzelfsprekend dat vrouwen Jezus volgden. Daarom krijgen de vrouwen pas speciale vermelding onder het kruis op het ogenblik dat de mannen op de vlucht zijn geslagen. Als Marcus vrouwen opsomt, komt Maria Magdalena altijd op de eerste plaats.

b) Volgens het Matteusevangelie is Maria Magdalena verzorg-ster en voorziener.
Maria Magdalena is, samen met de andere Maria, in het Matteüs-evangelie aanwezig op alle essentiële momenten tussen kruisiging en verrijzenis. Vrouwen lijken geen echte volgelingen, laat staan leerlingen te zijn. Ze gaan met Jezus mee vanuit Jeruzalem om Hem te verzorgen. Ze fungeren niet als getuigen van Jezus’ dood, maar als bewakers bij het graf. Ze zien het lege graf ook niet, aangezien ze door een engel tegengehouden en aangesproken worden. Bij de verschijning van de verrezen Heer staat niet de relatie tussen Jezus en Maria centraal, maar wel de relatie tot ‘zijn leerlingen’ die Hij zelf ‘mijn broeders’ noemt.

c) Volgens het Lucasevangelie is Maria Magdalena de genezen vrouw in het gezelschap van Jezus.
Het evangelie van Lucas is het enige waarin we Maria Magdalena ook tijdens het openbare leven van Jezus in Galilea ontmoeten. Lucas schrijft dat Jezus door het land trok om de boodschap van het Koninkrijk Gods te verspreiden. Niet enkel de apostelen, maar ook vrouwen trokken met Hem mee, waaronder ‘enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren’ (Lc 8,2) en ‘vele andere vrouwen die hen uit eigen middelen onderhielden’ (Lc 8,3). De namen van de vrouwen in de eerste groep worden genoemd, waaronder Maria Magdalena, van wiet ‘zeven demonen waren uitgegaan’ (Lc 8,2). Opvallend is verder dat Maria Magdalena niet bij de groep hoorde die Jezus diende. De nadruk bij deze Maria Magdalena ligt op haar genezing. Bij de kruisiging verdwijnt Maria Magdalena in een groep van anonieme vrouwen (bijvoorbeeld de groep vrouwen bij het lege graf in Lc 24,10). Opvallend hierbij is de aanwezigheid van Petrus. Het is trouwens ook Petrus en niet Maria Magdalena die als eerste de verrijzenisverschijning waarneemt.

In de Synoptische Evangeliën behoort Maria Magdalena tot een groep vrouwen die Jezus als vanzelfsprekend volgen. Deze vrouwen zijn ook aanwezig bij de kruisiging en na de opstanding van Jezus. De drie evangelisten zwakken de rol van de vrouwen echter af door en vooral de rol van de mannelijke leerlingen (vnl. Petrus) te beklemtonen. In het Evangelie van Johannes is Maria Magdalena daarentegen de eerste getuige van de opstanding. Het apocrief Evangelie van Maria Magdalena bevat zelfs aanwijzingen dat zij als leerlinge van Jezus belangrijker was dan de apostelen. Stof te over voor deel 2 van het verhaal van Maria Magdalena in de volgende Flambouw.

Josiane Tytens

Foto: Mary Magdalene, Philippe de Champaigne (1602-1674)

arrow