Ubi Caritas et Amor (Overdenkingen bij Psalm 30)

Toen ik een paar maanden geleden in het ziekenhuis lag, kreeg ik bezoek van ds. Anne Kooi. Zij stelde mij de vraag of die nare ziekte die ik heb mijn relatie met God had veranderd. Dat is een vraag om over door te denken. In ieder geval ben ik als gevolg van die ziekte niet boos op God geworden. Dat zou overigens wel tamelijk hypocriet zijn. Waarom zou ik wel boos op God worden wanneer het kwaad mij treft en niet wanneer er over de hele wereld zoveel geleden wordt? Dan kan ik wel permanent boos op Hem zijn. In mijn loopbaan op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp heb ik het nodige gezien en meegemaakt, en veel leed en ellende gezien. Steeds heb ik mij weer verbaasd, en heb ik mij opgetrokken aan de enorme veerkracht die, niet alle maar wel heel veel mensen hebben om te vechten tegen het kwaad dat hen overkomt, ook als dat lijkt op een gevecht tegen de bierkaai. God heb ik nooit geassocieerd met het lijden van de mensen maar wel met het verzet ertegen. De God van het Nieuwe Testament te zien als iemand die natuurrampen of ziektes veroorzaakt, is voor mij blasfemie. Eerder vinden we God in de golven van solidariteit die zich vormen als rampen zich voordoen, of in de tekenen van medeleven wanneer iemand lijdt. God is voor mij de kracht die steun geeft in moeilijke situaties, die moed geeft als het tegen zit, die uitzicht geeft in donkere tijden, die licht geeft in de duisternis – zoals we met Kerst vieren. Dat is geen fluiten in het donker maar een diep besef dat je nooit lager kan vallen dan in de hand van God. Nee, ik ben niet boos op God als gevolg van de ziekte. Ik ben wel boos over al het lijden en al de ongerechtigheid in de wereld.

Psalm 30 lijkt geschreven door iemand die een ramp is overkomen of die herstelt van een ernstige ziekte. Hij was kennelijk iemand die geloofde dat hem nooit iets kwaads zou overkomen: “In mijn overmoed dacht ik: Nooit zal ik wankelen”. (vers 7). Toen stortte op een dag zijn wereld in, en in zijn wanhoop schreeuwt hij het uit tegen God: Wat baat het als ik sterf? Dan zal er immers een stem minder zijn om uw lof te zingen (verzen 9 en 10).

De psalm lezend, wordt duidelijk dat de dichter door de ziekte blijkbaar drie dingen geleerd heeft. Ten eerste dat het gevoel dat God afwezig is maar een oogwenk duurt. Gods liefde, daarentegen, duurt een leven lang (vers 6). Ten tweede leert hij dat we God niet aanbidden omdat Hij ons pad dan over rozen zal laten gaan maar omdat Hij ons de genade en de vastberadenheid geeft om dat pad te blijven bewandelen ook als het vol stenen en obstakels ligt. God belooft niet dat Hij ons voor struikelen zal behoeden, maar wel dat Zijn hand er is om ons overeind te helpen, hoe vaak we ook struikelen. Tenslotte concludeert de psalmist dat wij op aarde zijn om God te loven: “Mijn ziel zal voor u zingen en niet zwijgen. Heer, mijn God, u wil ik eeuwig loven” (vers 13). Terwijl sommigen na het doorstaan en het overwinnen van ellende weer dezelfde mensen worden als voorheen, werd de psalmist door zijn ervaringen een ander mens. Hij leerde God te zien waar, en hoe hij Hem nog nooit eerder had gezien.

Wij worden de mensen die we zijn, niet zozeer door wat er gebeurt, maar vooral door de manier waarop we tegen die gebeurtenissen aan kijken. De vraag is niet op de eerste plaats: “Waarom overkomt dit de mens en de mensheid?”, maar vooral: “Hoe gaan we ermee om?”. De eerste vraag legt de verantwoordelijkheid al gauw buiten onszelf terwijl de tweede vraag ons op onze eigen verantwoordelijkheid drukt.

De psalmist ziet in dat Gods liefde een leven lang duurt. Die liefde is wat hem betreft de allesoverheersende realiteit. Het is de liefde van God en voor God. We kunnen nog een stapje verder gaan en zeggen: God gebeurt dáár waar mensen liefhebben. “Heb de Heer uw God lief….. en uw naaste als uzelf.”

Een geloof zonder liefhebben is leeg. In 1 Johannes 4 (7-8) staat het zo: “Geliefde broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort. Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde”.

Als je die liefde ervaart wanneer je moeilijke tijden doormaakt en door je familie en vrienden, en door onze gemeente wordt gedragen en omringt als door ‘een wolk van getuigen’ dan kan jouw relatie met God wél veranderen; niet in negatieve maar in positieve zin. Dan ervaar je God in de compassie en de genegenheid die je ontvangt. Ubi Caritas et Amor, Deus ibi est. Waar barmhartigheid en liefde is, daar is God.

Rob van Drimmelen

arrow