Stof tot nadenken II – Denim Unites

God werd mens om ons niet alleen te verlossen van de slavernij der zonde, maar ook van de zonde der slavernij. Bisschop van Paramaribo Karel Choennie in zijn kersttoespraak van 2022[1]

 

In september gaat de derde mode-expo van start in de voormalige Sint-Jozefkerk. Kerklid Veronica Brunswijck, afkomstig uit Suriname, is de grote trekker en inspirator achter dit intussen serieuze evenement dat door verschillende partners wordt gedragen. Als Protestantse Rabotkerk helpen we mee door onder andere ook een kleine tentoonstelling in te richten rond de plaats van de kerk en de theologie waar het gaat om mode en textiel. In 2024 richtten we ons op ecologie, textiel en spiritualiteit. Dit jaar is het thema Denim, het blauwe spijkergoed veelal gemaakt van katoen en geverfd met de kleur indigo (de Duivelse kleurstof). Daarom besteden we deze keer aandacht aan de handel in katoen, indigo en slaven en de rol van de kerk daarin.

In Nederland heeft de Protestantse Kerk Nederland samen met de Protestantse Theologische Universiteit van Utrecht (PThU) de rol van de kerk in de slavernij bestudeerd. Dat lijkt ook logisch. De Nederlanden hebben een grote rol gespeeld in de slavenhandel. Veelal wordt dan gekeken naar de trans-atlantische slavenhandel. Intussen is duidelijk dat het niet om 600.000 slaafgemaakten gaat, maar om 2 tot 2,5 miljoen en dat tussen 1595 en 1914 tussen de 3,3 en 5,3 miljoen mensen onder Nederlands bewind in slavernij hebben geleefd.[2] De rol van de kerk en in het bijzonder van de Protestantse Kerk in die dagen is niet weg te denken. Kerken, priesters en predikanten gaven niet enkel theologische gronden om de slavernij goed te keuren, ze maakten ook volop deel uit van het systeem. Ze bezaten zelf slaven en plantages.
Uiteraard waren er altijd wel tegenstemmen zoals die van Gregorius van Nyssa, Franciscus de Vittoria, Nicolas Beets, Jacobus Hondius en anderen. Hun stemmen maken duidelijk dat er andere keuzes gemaakt konden worden, maar de economische belangen wogen blijkbaar zwaarder dan de theologische. De discussie vond ook veeleer plaats in de marge en aan slavernij werden nauwelijks grote werken besteed. In die zin kreeg het thema ook weinig urgentie en zichtbaarheid in de samenleving. Dit stond een daadwerkelijk debat in de weg.[3]

Vandaag lijkt in het Nederlandse taalgebied het gesprek over de rol van de kerk in de slavernij vooral een Hollandse discussie. Waarschijnlijk omdat de Zuidelijke Nederlanden vooral gezien werden als slachtoffer van bezetting en later, als onafhankelijk land, weinig koloniën bezat.

Natuurlijk is er wel aandacht voor de verschrikkingen ten tijde van koning Leopold II in Congo en de rol van de katholieke kerk ook in de koloniale tijd daarna. Maar onderzoek vanuit de faculteiten en de kerken naar theologische achtergronden vind ik tot op heden niet.

In dit artikel willen we enigszins naar boven halen wat in deze materie wel aan kennis voorhanden is en daarbij gaan we stap voor stap terug in de tijd.

Om te beginnen vinden we een link tussen de Belgische kolonie in Congo en textiel. Na de Eerste Wereldoorlog kwam een groot deel van het onbewerkte katoen voor de Belgische textielindustrie uit Congo. Hoewel het geen slavernij werd genoemd, hadden Congolese arbeiders het op de katoenplantages net zo goed als elders hard te verduren. Geweld en uitbuiting waren onlosmakelijk verbonden met de verplichting om te produceren. Bovendien bracht de katoenteelt geen verbetering in hun levenskwaliteit, integendeel. Wie katoen teelde in opdracht van de koloniale overheid, behoorde tot de armsten onder de landbouwers.[4]

 

Maar katoen was natuurlijk de hele 19de eeuw al uiterst belangrijk voor Gent, en daarmee belanden we dan vanzelf in de periode waarin slavernij een vooraanstaande rol speelde in de wereldwijde productie van katoen. Zeker voor wat Gent betreft, en en meer bepaald in de Rabotwijk, kunnen we daar niet omheen. De Rabotwijk werd opgebouwd in de 19de eeuw temidden van een tiental verschillende textielfabrieken, waaronder katoenweverijen en spinnerijen. Ze droegen namen als: ‘La Louisiana, Texas en Florida”, namen die verwezen naar de herkomst van het Gentse katoen. Hat was katoen afkomstig van slavenarbeid in het zuiden van Amerika. Er was echter niet enkel sprake van import van katoen. Ook werd veelal bedrukte textiel indiennes geëxporteerd naar de koloniën.
Joseph de Hemptinne is één van de grote namen uit de 19de eeuwse textielindustrie in Gent. Hij was een zogenaamde ultramontanist, een vurig verdediger van het pauselijke gezag en in het bijzonder een aanhanger van paus Pius IX. Deze paus schreef in 1866, drie jaar nadat Nederland besloot de slavernij af te schaffen: De slavernij zelf, is naar haar wezen, geheel niet strijdig met de natuurwet en de goddelijke wet, en er kunnen verschillende rechtmatige titels zijn voor slavernij en hiernaar verwijzen door ons goedgekeurde theologen en commentatoren van de heilige canons. Het druist niet in tegen de natuurwet of de goddelijke wet dat men een slaaf verkoopt, koopt, ruilt of wegschenkt. Het is te vroeg om hier een direct verband te leggen, maar ik kan me voorstellen dat de meeste rooms-katholieke textielbaronnen nu toch rustiger konden gaan slapen.

 

De textielnijverheid en de in- en uitvoer van katoen en linnen in Gent kennen echter reeds een langere geschiedenis. Onder het Nederlands bestuur 1815 – 1830 kon de Gentse textiel- industrie profiteren van de invoer van katoen uit de Nederlandse koloniën als Suriname maar ook van de exportmogelijkheden naar toenmalig Nederlands Indië.
In de 18de eeuw was het de Oostenrijkse keizer Joseph II die, naast het bevorderen van de godsdienstvrijheid door middel van zijn tolerantie-edict, ook de Gentse textielindustrie stimuleerde en de Luikse wapenindustrie. De Duits protestantse familie Romberg speelde in beide zaken geen onbelangrijke rol. Sterker nog Frederik Romberg was naast handelaar in katoen ook handelaar in slaven. Stan Pannier heeft in zijn doctoraatsthesis over Frederik Romberg aangetoond dat tijdens het Oostenrijkse bewind Gent een draaischijf was in deze handel met goedkeuring van de keizer.[5] Romberg zou in totaal een 5.000 slaven vervoerd hebben, met name vanaf de Congo-oevers naar Havanna en Saint-Domingue. Romberg hield daarbij al rekening dat 10% de overtocht niet zou overleven.
Ook de Oostenrijkse Nederlanden profiteerden als kleine speler dus mee van de driehoekshandel. Linnen en bedrukt katoen waren het belangrijkste exportproduct van de zuidelijke Nederlanden in die tijd. Katoen werd gebruikt om de tot slaafgemaakte Afrikanen te kleden, het linnen om zeilen te maken en ook om samen met de wapens uit Luik deals mee te sluiten met Afrikaanse kooplieden die op die manier aangemoedigd werden nog meer slaven aan te leveren. In Havanna en Saint Domingue werd dan o.a. suiker, ruwe katoen en ook indigo als kleurstof mee terug naar Gent genomen.

In het artikel Het Protestantisme in Brussel naar aanleiding van de tentoonstelling 175 jaar Protestantse Kerk in Brussel worden Frederik Romberg en zijn broer naar aanleiding van de gesprekken met de keizer over het tolerantie-edict genoemd als beoefenaars van aanzienlijke handel.[6]  Dat die aanzienlijke handel met een grote zwarte rand van slavernij omkaderd is, wordt in het artikel van 2008 nog niet vermeld. Jozef II kreeg, wellicht omwille van zijn ijver voor de Gentse textielindustrie, een straat naar hem vernoemd in de belangrijkste textielwijk in Gent: ’t Rabot. Veel meer kunnen we voor zover ik heb kunnen nagaan voorlopig niet zeggen over de connectie tussen de kleine Belgische protestantse kerk en de slavernij als factor in de moderne economie.

Laten we nu terugkeren naar de rol van de kerk en de theologische vragen die we toch wel mogen stellen. We kunnen er immers niet omheen dat ook al vormen we in België als protestanten een minderheid, we wel degelijk in een traditie staan waarin slavernij, racisme en apartheid deel uit maken van ons erfgoed. We zien bovendien dat deze tendensen in nieuwe vormen de kop op steken en de samenleving beïnvloeden.
Ik wil daarom een aan aantal voorlopige vragen formuleren die kunnen dienen om verder over te reflecteren. Want net zo goed als we als kerk moeten reflecteren over de rol die de theologie speelt ten aanzien van het anti-semitisme, zo dienen we ook na te denken over de rol van de theologie ten aanzien van het slavernij-verleden en het kolonialisme.

Ik begon het artikel met een citaat van de Surinaamse bisschop Choennie: God werd mens om ons niet alleen te verlossen van de slavernij der zonde, maar ook van de zonde der slavernij. De fysieke slavernij werd in het verleden min of meer vergoelijkt door de opvatting dat de geestelijke slavernij van de oude mens Adam, namelijk de slavernij van de zonde, nog erger is. In hoeverre wordt ook vandaag in onze exegese en prediking de lichamelijke slavernij als irrelevant beschouwd en telt alleen de dienst aan God en de bevrijding van zonden?

Daarmee hangt wellicht ook de vraag samen hoe wij omgaan met de veelvuldig voorkomende slavenmetafoor in het Eerste en in het Nieuwe Testament. Ook in de Evangeliën horen we Jezus veelvuldig slavenmetaforen gebruiken, waarbij een mens dus bezit kan zijn (slaaf) van een andere mens die zijn eigenaar is.[7] Veel vertalingen poetsen het woord weg door doulos en ebed te vertalen met dienaar. We kunnen er echter niet omheen dat fysieke slavernij in de Bijbel als vanzelfsprekend wordt geacht en dus moeten we hier verantwoordelijk mee omgaan. Tegelijkertijd is diezelfde Bijbel door de eeuwen heen een bron van inspiratie geweest om zich tegen de slavernij te kanten. De Bijbel als zelf-kritische literatuur kan wellicht  nieuwe inzichten bieden.[8]

De Nederlanden lieten in de 16de en 17de eeuw geen slavernij toe op het eigen grondgebied. Dat gold evenzeer voor vele andere Europese landen. Er kwam echter een ander aspect bij. De Nederlanden voelden zich als bevrijde slaven van de katholieke Spaanse furie. Holland was het nieuwe Jeruzalem, het nieuwe Zion. De identificatie van de Nederlanden met het Bijbelse Israël bleef populair in de vaderlandse geschiedenis. Het idee uitverkoren te zijn, werkte later ook door in de vervangingstheologie ten aanzien van het jodendom.

De Synode van Dordrecht van 1618 bepaalde nog dat slaven die gedoopt werden vrij gelaten moesten worden. Dit besluit leidde er evenwel toe dat de dooppraktijk in de kolonies steeds exclusiever werd. De plantagehouders en slavenhouders werden erg voorzichtig met het bekeren van hun slaafgemaakten. Iemand als de Ghanese predikant Jacobus Capitein (1717 – 1747) was een uitzondering. En daar werd dan meteen bij benadrukt dat hij door zijn bekering eigenlijk van binnen wit geworden was.[9] Capitein was een uitzondering die de regel moest bevestigen van het idee dat je nooit een Moor wit kon wassen (Jer 13:23).[10]

In 1776  werd bovendien een resolutie gepubliceerd waarin alle mogelijke scenario’s van met name zwarte onvrijen in het vrije Nederland werden gespecificeerd. In principe moest de eigenaar kiezen om door hem meegebrachte slaven vrij te laten of terug te sturen.

Toen de slavernij echter op zijn einde liep, werd er volop gedoopt en catechese gegeven. Deze kerstening werd grotendeels overgelaten aan als minderwaardig beschouwde gemeenschappen, zoals de katholieke kerk of vaker nog aan de Evangelische Broedergemeente van de Hernhutters die geleid werd door zwarte predikanten. De bedoeling van deze kerstening was om de vrijgelaten slaven volgzaamheid en deemoed bij te brengen, zodat ze niet opstandig werden. Zo werd bedoeld of onbedoeld een aparte kerk voor zwarte mensen gecreëerd, waardoor de Nederduitse Gereformeerde Kerk wit bleef. En dus stelt zich de vraag: in hoeverre zijn we er ons van bewust dat een gevoel van protestantse suprematie de voorloper is van white supremicy?

Mogen we dan niet meer trots zijn op onze reformatorische erfenis, hoor ik u denken. En wij waren toch niet de enigen die aan slavernij deden? De Romeinen, de Vikingen, de rooms-katholieke Spanjaarden en Portugezen, het islamitische Ottomaanse rijk, allen maakten zich schuldig aan slavernij. Tussen 1530 en 1780 zouden 1 tot 1,25 miljoen Europese burgers tot slaaf gemaakt zijn in de kaperij. Reken maar dat ook hun lot zwaar was. Dat blijkt meer dan duidelijk uit diverse verslagen van slachtoffers. Toch wordt in het Nederlands taalgebied nergens een verbinding gelegd tussen de witte slavernij en de zwarte slavernij in de koloniën. Aan de overzijde van de Noordzee gebeurt dat wel. John Newton (de auteur van Amazing Grace) was het slachtoffer van de witte slavenhandel, maar ook zelf als scheepskapitein betrokken bij de slavenhandel. In 1788, weliswaar 34 jaar nadat hij zich uit de slavenhandel had teruggetrokken en theologie was gaan studeren, schreef hij een krachtig pamflet Thoughts Upon the Slave Trade, waarin hij de afschuwelijke omstandigheden van de slavenschepen op de Middenpassage (slavenroute) beschreef en zich verontschuldigde voor zijn betrokkenheid daarin.[11]
In het Verenigd Koninkrijk komt de strijd tegen de slavernij overigens al eerder op gang onder impuls van de quakers, en met steun van de baptisten en methodisten. Het zou interessant zijn mocht er meer onderzoek gedaan worden naar tegenstanders van de slavernij, naar anti-slavernij bewegingen vanuit Bijbelse gronden, alsook naar zwarte reformatorische stemmen zoals Alan Boesak in zijn boek Black and Reformed.

Tot slot, niet alleen de textielindustrie kent zijn slavernij. Slavernij komen we tegen in verschillende economische sectoren, net als in het verleden: in de sexindustrie, de huishoudhulp, bij de delving van grondstoffen en zo verder. Ook vandaag weten we het, zijn we er verbolgen over, maar komt het uiteindelijk zelden of nooit tot krachtig protest. Ook dat is iets om over na te denken. Hoe kunnen we wel dit protest voeden? In Nederland bestaat er een lokale afdeling van de christelijke mensenrechtenorganisatie International Justice Mission, dat de kerken uitnodigt om toch één keer per jaar aandacht te besteden aan de slavernij met een Freedom Sunday.[12]

Dat is dan meteen een positief geformuleerde boodschap, net zoals Denim Unites, het thema van de komende mode-expo in Gent. Het is immers niet alleen van belang om onrecht te benoemen maar ook om te werken aan een verhaal dat iedereen meeneemt.
De mode-expo wil zo’n verhaal schrijven. Jeans wordt overal in de wereld gedragen. Nog altijd werken mensen in erbarmelijke omstandigheden aan onze kleding, precies zoals vroeger, in de 18de en 19de eeuw, zowel de vrije textielarbeiders in Vlaanderen als de slaven op de katoenplantages werden uitgebuit. Belangrijk is echter ook hun werk te eren, hun arbeid en hun inzet. Wij mogen hen de eer geven voor de welvaart die daaruit voortkwam. Waarom zouden we bijj voorbeeld naar hen geen straten en pleinen vernoemen? Laten we een andere geschiedenis schrijven, waarin zij niet zijn weggeschreven maar zijn ingeschreven. Laten we aan een toekomst werken waarin uitbuiting niet meer zal zijn.

En laten we ons als kerk niet schuldig maken aan een stilzwijgend ondersteunen van exploitatie van mensen door mensen.[13] Dit artikel toont op zijn minst aan dat dit geen thema is waar de kerk buiten staat. De kerk mag dus het publieke debat voeden en zich daarbij bezinnen op haar eigen bronnen. Tenslotte ontmenselijkt slavernij niet alleen de slaafgemaakte, maar ook de slaveneigenaar. Niemand is vrij totdat iedereen vrij is, waren de woorden van de zwarte baptistenpredikant Maarten Luther King.

Ds Eefje van der Linden

[1]https://www.waterkant.net/suriname/2022/12/26/kerstboodschap-van-de-bisschop-van-paramaribo/

[2]Leendert van der Valk, Vergeten plekken, vergeten mensen. Een atlas van het Nederlandse Slavernijverleden, 339, Boom, 2026.

[3]Martijn J. Stoutjesdijk, Gods Slaafgemaakten. Hoe het christendom slavernij verdedigde en veroordeelde, 147, Kokboekencentrum 2026.

[4]https://www.journalbelgianhistory.be/en/system/files/article_pdf/Sven_Van_Melkebeke_BTNG_2023_3.pdf

[5]https://www.vliz.be/testerep/nl/2025-02-oostenrijkse-nederlanden-actief-betrokken-bij-afrikaanse-slavenhandel

[6]https://theologienet.nl/bestanden/braekman-brussel-protestantisme.pdf

[7]Lucas 1:38; parabels van slaven waarvan de meester op reis gaat, parabel van de onbarmhartige slaaf etc.

[8] Mirjam Elber, The Anti-Religious Testimony of the Bible.Theology as Self-Critique, 2026.

[9]Jacobus Capitein 1717 -1747 de eerste in Nederland opgeleidde zwarte predikant. Hoewel hij zelf uit slavernij kwam verdedigde hij de slavernij.

[10]Dit was een standaard uitdrukking M.J. Stoutjesdijk, 157 ev.

[11]https://vorming.protestant.link/2020/06/15/amazing-grace/

[12]https://www.ijmnl.org/freedomsunday

[13]Woorden van Karl Barth één van de voortrekkers in de campagne om een vakbond te vormen voor de lokale textielindustrie).

 

arrow